U heeft het vast ook ontvangen: het boekje over het samenstellen van een noodpakket en een noodplan. Als we het openslaan, worden we misschien even stil. Het kan ons verdrietig maken of zelfs een beetje angstig. Tegelijk helpt het ons ook: het geeft houvast. We kunnen beginnen met het verzamelen van spullen, zodat we voorbereid zijn als er ooit een noodsituatie ontstaat. En één van de eerste dingen die daarin genoemd worden is licht: een zaklamp (met batterijen), kaarsen en lucifers.
Het lijkt allemaal zo eenvoudig: een pakket samenstellen en daarmee denken we voorbereid te zijn op wat komen kan. In onze huidige maatschappij willen we immers graag alles onder controle houden. We laten niets aan het toeval over als het niet hoeft. Maar die drang tot voorbereiding heeft ook een keerzijde: we kijken steeds vaker vooral naar onszelf. Individualisme groeit en polarisatie lijkt haast vanzelfsprekend geworden.
Toch wordt er in datzelfde boekje ook iets anders gezegd: dat ons noodplan niet alleen over onszelf gaat, maar ook over de mensen om ons heen. Over onze ouders, onze familie, onze buren. Het raakt aan wat we vanavond in de eerste lezing hoorden: dat in ieder van ons een verlangen leeft naar licht en warmte, naar gezien worden door de mensen dichtbij ons.
Iedereen kent wel van die momenten waarop het leven donker voelt. Kleine, alledaagse dingen kunnen zwaar wegen: een zorg die je wakker houdt, een herinnering die plots meer pijn doet dan verwacht, een dag waarop alles te veel is. Niet de grote gebeurtenissen, maar de stille last die niemand ziet, tenzij iemand jou wíl zien.
En als dat gebeurt, als iemand jou écht ziet, wordt het leven meteen een beetje lichter. Elkaar werkelijk zien lijkt zo eenvoudig, maar dat is het niet. Het is meer dan elkaar ontmoeten en groeten. Het hoeft niet groot of bijzonder te zijn. Het zit juist in kleine momenten waarin wij licht kunnen doorgeven, vaak zonder te beseffen hoe belangrijk dat is.
Een luisterend oor, zonder meteen een oplossing klaar te hebben.
Iemand die zegt: “Ik loop even met je mee.”
Een schouder om op uit te huilen.
Een kind dat zijn hand uitsteekt naar iemand die alleen staat.
Een buurvrouw die aanbelt en vraagt: “Hoe gaat het met je?”
Ook in het kerstverhaal zien we dat terug. Maria en Jozef die, ondanks alle gesloten deuren, een plekje krijgen in een stal, eenvoudig, maar warm. Een engel die zegt: Wees niet bang. Herders die hun dagelijkse werk durven loslaten en op weg gaan naar iets onbekends. En boven alles: God die ervoor kiest mens te worden zoals wij, kwetsbaar, afhankelijk, verlangend naar warmte en nabijheid.
Daarin klinkt de boodschap van Kerstmis: het licht wordt zichtbaar waar mensen elkaar ontmoeten en écht zien.
Kerstmis laat zien waar God te vinden is: niet hoog boven ons, niet ver weg, maar juist in dat kleine begin waar liefde en aandacht voorzichtig vorm krijgen. Het licht dat God ons geeft in het kind in de kribbe, wordt pas echt zichtbaar wanneer wij dat licht doorgeven. Niet groots of indrukwekkend, maar in zorg voor de mensen die dichtbij ons leven.
Laten we daarom kijken naar elkaar: naar wie naast ons zit, naar wie thuis op ons wacht, naar degene die we al zo lang willen bellen maar steeds uitstellen. Misschien is juist jouw kleine gebaar het begin van licht in iemands donkere nacht.
Zo wordt Kerstmis een licht voor elkaar.
Een geschenk dat wij mogen ontvangen en een geschenk dat wij mogen doorgeven.
Door Myriam Wiercx